De alchemie van het vuur
De geschiedenis van bamboezout is onlosmakelijk verbonden met de spirituele en medische traditie van Korea. Het begon meer dan 1000 jaar geleden in de boeddhistische kloosters. De monniken die daar woonden, leidden een ascetische levensstijl met een zeer karig, vaak vegetarisch dieet.
Ze waren zich bewust van de essentiële behoefte aan zout, maar realiseerden zich ook dat gewoon zeezout (in zijn ruwe staat) onzuiverheden en een bittere restvochtigheid (genaamd Gansu) kan bevatten, die als onrein of belastend voor het lichaam werden beschouwd. Op zoek naar een puur "genezend zout" ontwikkelden ze een ritueel proces.
Dit proces is pure alchemie: puur, in de zon gedroogd zeezout wordt met de hand in dikke stengels reuzenbamboe gestopt. Deze buizen worden verzegeld met een mineraalrijke, gele klei (Hwangto) en vervolgens gebakken in een speciale oven bij 1000-1500°C boven een vuur van dennenhout.
Bij deze intense hitte verbrandt de bamboe en versmelt het zout met de minerale sappen en de as van het hout. Bittere onzuiverheden van het zeezout worden verdreven. Het karakter verandert fundamenteel: het zout wordt sterk alkalisch (pH 9-10) en krijgt een diepe, minerale en licht rokerige toon. Het is de geboorte van een heel nieuw zout, dat in de Koreaanse keuken wordt gewaardeerd om zijn smaak en harmoniserende eigenschappen.








